Kortverhaal 6
- 15 apr
- 2 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 22 apr
Op de goede dagen vergeet ik dat er slechte zijn. Op de slechte voelt het alsof er nooit goede zijn geweest. De slechte halen de bovenhand tegenwoordig.
Alleen de gedachte dat de kinderen hier niet om gevraagd hebben, haalt me ’s ochtends uit bed. Ik weet niet of ik anders aan de dag zou beginnen.
Ze zijn zoals andere kinderen. Ondankbaar, veeleisend en de reden van mijn bestaan. Als je er over nadenkt, is een ouder-kind relatie best heftig. Maar we doen het. Daar heeft de natuur voor gezorgd.
Maar mijn dagen kleuren zwart met verdriet. De pijn overschaduwt alles. Ik doe wat moet en wil verder liefst alleen zijn. Alleen met mijn donkere gedachten. Want alleen aan mezelf kan ik toegeven dat het niet gaat. Wanneer iemand me er naar vraagt, kan ik niet anders dan sociaal wenselijk ‘het gaat’ antwoorden. Daar heeft de maatschappij wel voor gezorgd. Ik haat mezelf omdat ik zo lieg. Maar ik doe het toch.
Mensen zeggen dat ik moet vertrouwen dat het wel goed komt. Dat het leven wel weer betert. Maar hoe vertrouw je op iets dat je al zo vaak heeft verraden? Het is alsof je een vriend zou zeggen dat die toch best maar die partner terugneemt, die een dubbelleven leek te leiden? Die zou je toch ook niet proberen overtuigen om het opnieuw te proberen? Dat het verraad voorbij zou zijn nu? Je zou zeggen ‘hé, dat is niet ok!’ of ‘ander en beter’ of nog een andere motiverende oneliner. Je zou hen troosten. Begrip tonen. Je zou hen steunen in hun plan om een nieuwe weg in te slaan. Maar met lichamen werkt dat zo niet. Er is geen andere optie. Je moet het doen met wat je hebt. Of niet.
Opmerkingen