Kortverhaal 3
- 12 apr
- 1 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 14 apr
Ik voel me kwetsbaar, zo spiernaakt in de grijsbruine, troebele Noordzee. Of het water koud of warm is, merk ik niet op. Ik dein mee op de golven en een ongemakkelijk gevoel bekruipt me. Ik haat in de zee zijn. De prachtige, eindeloze, mysterieuze zee. De zee die neemt. Die onverbiddelijk doodt. Die geheimen herbergt waarnaar de mens nooit zal stoppen zoeken. Ik heb hier geen controle en dat gevoel verlamt me.
De vrouw naast me zegt dat ik te ver van de kust ben om terug te geraken. Ik weet niet wie ze is, maar ze klinkt kalm. Ik voel me niet kalm.
Ik ga onder. Voor ik het beseft duwt een stevige golf me weg van het wateroppervlak. Ik spartel, nog altijd spiernaakt, terug naar boven. De golven beuken op me in en mijn paniek groeit. Ik weet niet hoe ik hier kom en erger nog, hoe ik hier weg geraak. Ik voel alleen blinde paniek.
Met een harde klap voel ik dat mijn lichaam zand raakt. Instinctief draai ik me om zodat het mijn zitvlak is dat de volgende klap opvangt.
De kust.
Het is voorbij.
Ik lig spiernaakt op het strand en het is voorbij.
Ik schiet wakker. Mijn hart klopt in mijn keel. In huis is het vredig stil. Iedereen slaapt nog, behalve ik. In mijn hoofd begint het te malen en ik besef dat slapen er niet meer in zit. Ik grijp naar mijn smartphone en zie dat het vijf uur ’s ochtends is.
Opmerkingen